VANCOUVER ISLAND


Into the wild

Schrijver Lars Anderson en fotograaf Malou van Breevoort dringen op het Canadese Vancouver Island door tot Nimmo Bay, een verborgen wildernis die normaliter alleen voor de rijken der aarden toegankelijk is.

Door: fotograaf Malou van Breevoort en schrijver Lars Anderson

Bill McKay vertrouw ik mijn leven toe. Ik ken hem tien minuten en ben als was in zijn handen. Hij staat aan het roer in zijn kajuit en praat met bravoure over de walvissen en orka’s die in ‘zijn’ oceaan zwemmen. Bills voeten staan een metertje uit elkaar, stabiel stuurt hij zijn metalen schip door de golven van de Queen Charlotte Strait. Het regent hard, de wolken hangen laag. Kort onder die wolken is het groen van het regenwoud zichtbaar.


Hoe lang wilde ik al niet naar dit deel van de wereld, naar deze slinger van eilanden en bergen die begint bij de stad Vancouver en helemaal doorloopt naar Alaska? ‘Het landschap van de Broughton-archipel is ongerept, primair en perfect, geschilderd in een palet van blauw en groen,’ schreef Nikki van Schyndel in haar boek Becoming Wild. ‘Dit was de wildernis waarvan ik droomde. Nooit voelde ik het leven zo door mijn aderen stromen.’


Zittend in de gele boot van Bill (64) begrijp ik wat Nikki voelde toen ze als stadsmeisje dit eilandenrijk introk om in het wild te gaan leven. Bewoners noemen het gebied ‘de rand van de wereld’. Diezelfde locals vertellen dat Bill een legende is. Hij kent de eilanden, lijkt te weten waar elk watermolecuul zich bevindt, en leidt je naar walvissen, orka’s en beren. Achter zijn hielen ligt een oranje hydrofoon waarmee hij de grote zeedieren opspoort. Nu is het ding nutteloos − het is half mei en de walvissen moeten nog vanuit de wateren van Mexico naar het noorden zwemmen. Hoewel, er zijn deze maand al een paar bultruggen gesignaleerd. Piloten, schippers en lokale gidsen houden elkaar nauwkeurig op de hoogte als ze ergens walvissen zien. ‘Eind juni, over een maandje, zijn ze hier allemaal,’ zegt Bill. ‘Als de zalmen komen en de rivierbekkens inzwemmen. Dan liggen ze daar met hun bek open, te wachten op hun feestmaal.’ Zalm is de real deal voor Bill. De vis staat onder druk. Vervuiling in de oceaan, en ook hier in de archipel. Bill wijst naar een eenzaam groen huisje op een eiland dat we passeren. ‘Dat is een Noorse zalmkwekerij. Ze hebben grond gepacht van de regering en mogen hier zalmen kweken.’ Hij kijkt serieus. ‘Nooit kweekzalmen eten. Ze mesten ze vol met gedroogd visvoer, afvalresten. Bovendien gebruiken ze chemicaliën om bacteriën in hun ontlasting te doden. Die chemicals verspreiden zich natuurlijk ook naar het omringende water.’


Bill vaart met een boog om de kwekerij heen en wijst naar een strook ontgonnen land tegen een bergwand. ‘De Amerikanen pachten het land en sinds een paar jaar kappen ze onze bossen. Honderden jaren oude Canadese oerbomen die we voor een habbekrats exporteren naar de VS. Ik bedoel: als we ze dan kappen, laten we ze dan ook hier gebruiken.’ Bill draait zijn hoofd naar me toe. ‘Pas toen Craig in opstand kwam nam de lokale regering de pacht terug. Craig zei: “Jullie verwoesten mijn bossen, hoe kan ik dit mijn bezoekers laten zien?!”’


De naam ‘Craig’ valt hier vaker. Heel Vancouver Island kent Craig Murray (72). Hij is oprichter en eigenaar van Nimmo Bay, waar ik samen met fotografe Malou naartoe vaar. Wat ik daar precies kan verwachten is me nog niet duidelijk. Maar Craig ontmoette ik kort aan de kade, bij Bills boot. Zijn eerste vraag was tamelijk direct: ‘Wie van het gajes dat ik zie moet aan boord?’ De lange lijnen over zijn gezicht bleven strak in de plooi. Zijn bullshit-detector stond op scherp, alsof het een kleine test was. Bill en Craig kennen elkaar al een halve eeuw. Samen ontwikkelden ze het toerisme hier. Bill als ‘walsvisjager’, Craig die in een idyllische baai een klein houten resort begon.

Rots in de branding
Op een rots nabij Nimmo Bay lanterfanten zeeleeuwen in de zon. Het is een gezellige boel hier in een kakofonie van primair gebrul. Ergens is het ook een apenrots — de grote mannenberen willen de vrouwtjes versieren en tegelijk hun concurrenten op afstand houden.

Wildernis voor de 1 procent
We varen dieper de archipel binnen. De baaien worden smaller, de eilanden gaan langzaam over in landtongen naar het vasteland. Sommige ingangen naar de lagunes zijn zo smal dat het afgaande tij voor witte schuimgolven zorgt, zo snel stroomt het water terug naar de oceaan. Eindelijk varen we Nimmo Bay binnen. Het gitzwarte water is een spiegel, geen rimpel te zien. In de verte zie ik door de reflectie de cabins in tweevoud. ‘Hier ging Craig een kleine veertig jaar geleden picknicken met zijn vrouw,’ zegt Bill. ‘Ze kregen het idee om een drijvend huisje de baai in te slepen om gasten te ontvangen en met ze te gaan vliegvissen, met de boot of met een helikopter.’


Precies, dacht ik, de helikopter. Ik zag de houten landingsplatformen liggen, vier in totaal. Eerder vroeg ik Craig of hij een vlucht voor ons zou kunnen regelen, voor minder dan het standaardtarief van 5725 Canadese dollars. ‘Ik zal kijken wat ik kan doen,’ was zijn antwoord. Om een minuut later glimlachend tegen fotografe Malou te zeggen: ‘Hij wil een helikoptervlucht. Yeah, dat gaat dus níét gebeuren.’


We meren aan en Bill legt zijn boot vast. De crew van Nimmo Bay heeft net een teambuilding weekend achter de rug en een deel van hen vertrekt weer naar het plaatsje Port McNeill, aan de overkant van Queen Charlotte Strait. Een team van 22 man sterk blijft op Nimmo; het seizoen zal gauw echt beginnen. Sous-chef Duncan vertelt me dat ze hier toch vooral voor ons blijven: ‘We dachten, wie komt er in godsnaam?’ We krijgen lunch geserveerd, verse kreeft met een sprankelende Sauvignon blanc. Dominic Giossan schuift aan, samen met Adrien Mullin. om (54) noemt zichzelf grappend de L.E.D., de Leisure & Excellence Director. Hij oogt als een grijze muis, maar ondertussen heeft hij de beste verhalen. Adrien (28) is de leading guide van Nimmo. Geef hem een cape en hij is Superman. Adrien weet alles over het dierenrijk hier en heeft meerdere ontmoetingen met poema’s en beren gehad. Hij gaf zelfs een grizzly een oplawaai op zijn neus. Adrien trapt af: ‘Zullen we een plan maken voor de komende drie dagen?’


‘Goed idee,’ zeg ik. ‘Wat zijn de opties?’ Adrien: ‘We hebben speedboten om walvissen, zeeleeuwen en beren te zoeken, we kunnen duiken, kajakken, vliegvissen, lokale community’s bezoeken, hiken door de bossen, you name it.’ Ik slik. ‘Kunnen we ze, uhm, allemaal doen?’ Langzaam dringt tot me door wie in Nimmo de ‘normale’ gasten zijn: hier komen de rijkaards, de one percent die samen 99 procent van alle rijkdom in de wereld bezit. Eén nachtje slapen kost 1950 euro per persoon, exclusief helicopter met activiteiten. De cabins zijn van ongekende robuuste luxe − de hottub staat precies dicht genoeg bij de verkoelende waterval, die weer het vernuftige systeem aanzwengelt dat de energie levert. In de lounge drinken ze cocktails, roken ze sigaren in lederen fauteuils en vertellen ze verhalen over het avontuur van de dag. Rond de pooltafel hangen ingelijste covers van Fortune Magazine, erop de CEO’s van ’s werelds grootste bedrijven en banken die de cover speciaal voor Craig signeerden. In het hoogseizoen zou dit voor mij een pretpark vol rijkaards zijn, een minibiotoop die in het echte leven achter hoge beveiligde hekken zit, maar waar fascinerende verhalen liggen. Nu is het uitgestorven, te vroeg in het seizoen.

De kracht van het water

Piloot Peter vliegt over de vakantiehuisjes van de luxe ecolodge Nimmo Bay. De huizen op het water drijven mee met het getij. Bij laag water zakt alles richting bodem, en komen de beren onder de boomrand tevoorschijn. Nimmo is volledig zelfvoorzienend dankzij witte steenkool’, waterkracht. De eigenaren gebruiken een waterval om een ingenieus systeem in beweging te zetten dat alle gasten van stroom voorziet.

Grizzly’s, poema’s, wolven en rendieren

Adrien neemt ons mee naar de dry room, waar de noodzakelijke kleding hangt om veilig en warm het wild te verkennen. Voor elke activiteit is een speciaal pak. Voor de berenvallen die we gaan bekijken hebben we een rubberen tuinbroek nodig, een paar dikke wollen sokken en bergschoenen. De overgang schoen-broekspijp zit waterdicht afgesloten om droog tegen de stroom in de rivier op te kunnen lopen.


Een riem om je middel trekt de broek aan de bovenkant dicht. Mocht je omvallen dan loop je niet als een plastic handschoen vol water. Met de jet boat, een metalen speedboot met platte onderkant om ondiepe wateren te bevaren, brengt Adrien ons naar de riviermonding. Will (29), een tweede gids, is ook meegekomen. Volgens Adrien komen de beren net uit hun winterslaap en zitten ze vaak nog in hoger gelegen gebieden. Hij denkt niet dat we ze nu gaan tegenkomen. ‘Maar dit is wel een populair bos voor ze. Vorig jaar zag ik hier dertien beren bij elkaar staan, jagend op zalm.’


In onze pakken waden we door de rivier, klimmen een stuk gras op. De lucht is grijs, het miezert, alles is nat. Adrien monteert een camera met een bewegingssensor in een boom en spant een paar meter prikkeldraad op heuphoogte; hoog genoeg voor beren om eronder door te kunnen kruipen, maar laag genoeg zodat de haren uit hun vacht blijven steken in de prikkels. Over twee weken komt Adrien hier terug voor haarmonsters. Via DNA-profielen probeert hij de berenpopulatie in kaart te brengen. Het bos is zo geïsoleerd dat de beren amper met mensen in aanraking komen, niemand weet precies hoeveel er zijn.


In het woud volgen we paden die er uitzien alsof er dagelijks mensen wandelen. Toch zijn deze trails gemaakt door beren, wolven, poema’s en rendieren. Ik denk aan Bill McKay en zijn verhalen dat de dieren hier via de bossen van eiland naar eiland trekken. Grizzly’s zwommen langs zijn boot − een kilometer zwemmen is voor hen geen probleem. Rendieren sprongen vanaf hoger gelegen rotsen het water in om te ontsnappen aan de poema’s die ook gewoon het koude water invlogen.


Opnieuw steken we de rivier door, Adrien voorop, jachtgeweer op zijn rug, Will achter ons. Een half uur verderop wikkelt Adrien prikkeldraad om een boom; de beren zullen er zelf hun vacht aan schuren. Vinden ze lekker. ‘Berenhuid is taai,’ zegt Adrien. ‘Het is al lastig genoeg om er een mes door te duwen.’

Will inspecteert een omgevallen cederboom. Het gat onder de wortels ziet er gebruikt uit. ‘Dát is nog eens een fijne plek voor een winterslaap,’ lacht hij. Adrien laat een andere boom zien, omvang ruim een meter. Hij wijst naar diepe schrammen in de schors op drie meter hoogte. ‘Hier heeft een beer zijn klauwen even aangescherpt.’ Verbluft staar ik naar de boom, regendruppels spatten in mijn gezicht. ‘Ik ga toch wat meer om me heen kijken,’ zeg ik ongemakkelijk.

‘Met vier man zouden we veilig moeten zijn,’ zegt Adrien. ‘Dan vallen ze niet snel aan. Met twee zou ik hier niet gaan lopen, dan komen ze wél dichterbij.’

The sky is the limit

Terug in Nimmo Bay eten we verse sockeye. Nooit wil ik nog zalm uit een kweekvijver. Scott Jutson deelt mijn gevoelens, likt even uitbundig zijn vingers af. Toch nog een gast, maar ook hij is geen ‘rijkaard’. Scott is bootarchitect en hier op verzoek van Fraser Murray, de jongste zoon van Craig. Fraser is sinds een paar jaar de baas van Nimmo en hij wil moderniseren. Zijn vader bracht het grote geld, maar tijden veranderen. Het old boys network van Wall Street vond het nog gaaf om dagen te vliegvissen, maar de hippe tech-miljardairs uit Silicon Valley willen eigentijdsere activiteiten. Met een fatbike uit een helikopter springen op een gletsjer bijvoorbeeld. Of even vliegen naar de mooiste stranden om te kitesurfen. The sky is the limit in Nimmo en daar hoort een boot bij die past bij het moderne DNA. Craig en Fraser hebben duidelijk een familieconflict gehad over de nieuwe koers, vandaar dat Craig liever thuis blijft. Hij bezoekt Nimmo niet zo vaak meer, wil vermoedelijk ook liever niets weten van deze hypermoderne boot die toch algauw een half miljoen gaat kosten. De brug tussen deze twee generaties is zonder twijfel Dominic, de ietwat saaie man die stiekem de beste verhalen heeft. Hij hielp vader Craig het netwerk met rijke mensen opbouwen en probeert nu de modernisering te laten landen bij de oldtimers. Dominic is smeerolie, spreek je wens uit en hij regelt het.


Onze helikoptervlucht bijvoorbeeld. Dom brengt het nieuws ingetogen, zoals dat bij hem past. Cryptisch zegt hij: ‘Het zou goed zijn als jullie spullen klaar staan.’ Verbouwereerd zeggen we: ‘Maar Dom, dat hoefde je toch niet te doen.’ Zijn antwoord: ‘Toen jullie gisteren om een heli smeekten, wist ik mijn missie.’


In de verte horen we het diepe geluid van draaiende wieken naderen. En drie minuten later vliegen we over bossen, rivieren en bergen. De wolken zijn verdreven, de lucht blauw. Piloot Peter Barrat, een vriend en zakenpartner van Craig, volgt de contouren van de heuvels, klimt omhoog langs de steile rotswand van Mount Stephens en zet de helikopter op de top in de sneeuw. Even staan we daar, zwijgzaam, dromend van het wilde land vol spierwitte pieken. Net zat ik nog zalm te eten, nu mijmer ik op de hoogste piek van dit gebied.

Wild opsporen

Onze gids Dylan tuurt naar de boomtoppen nabij Nimmo Bay. Elke dag lopen hij en zijn collega's een welhaast vaste route om sporen van beren of poema's op te zoeken. Begin 1900 zijn hier veel oerbomen gekapt; de immense boomwortels met zaagvlak zijn er bewijs van. Het woud is inmiddels weer beschermd gebied. Op de stonken groeien huckleberries, een favoriet besje van grizzly's. Zolang ze onaangetast zijn, kun je redelijk zeker zijn dat er geen grizzly rondloopt.

Na een uur vliegen keren we terug naar het landingsplatform waar ooit Bill Gates landde, om erachter te komen dat hij verkeerd zat en weer wegvloog. ‘Hoe regel je dit soort dingen toch?’ vraag ik Dominic tijdens alweer een perfect diner − dit keer eten we gestoomde krab en reuzengarnalen die we de dag ervoor zelf met netten uit het water visten. Op de boot onthoofdden we al een paar garnalen en pelden de schil van hun lijf. Adrien had sojasaus bij zich waarin we de nog kronkelende achterlijven dipten voor ze in onze monden verdwenen. Sashimi, verser wordt het niet.


Hoe ik dat doe?’ herhaalt Dom mijn vraag. ‘Dat is mijn werk, hè. Maar ik heb er dan ook wel wat ervaring mee.’ Een klein glimlachje maakt zijn gezicht ondeugend en vrolijk. ‘Kun je iets specifieker zijn?’ vraag ik. ‘Laten we zeggen: ik werkte wel vaker voor rijke mensen. Ik weet hoe ze denken.’ Dom laat een stilte vallen. ‘Ik vertel dit met enige reserve omdat het wellicht wat wonderlijk klinkt, maar de afgelopen twintig jaar organiseerde ik vakanties voor vijf rijke families.’


‘Wat?’ roep ik. ‘En dat was een fulltime baan?’ ‘Ja, zij vertrouwden mij hun reizen toe. Dan vloog ik naar drie landen waarvan ik dacht dat ze zouden aanspreken. Bijvoorbeeld naar Roemenië, Zuid-Afrika en Australië. Daar deed ik research naar hotels, wandelroutes en de beste restaurants. Gemiddeld had ik drie maanden werk aan één vakantie. En uiteindelijk legde ik ze drie volledig uitgewerkte varianten voor waaruit ze konden kiezen.’ ‘Stel je de macht voor die je voelt,’ vervolgt Dom, ‘als je de Ritz binnenloopt en een volledige etage van het hotel overneemt en opnieuw inricht − schilderijen, sofa’s, tapijten. Alles zodat de familie zich snel thuisvoelt. Of dat je de keuken van een restaurant controleert op de werkwijze om zeker te weten dat alles top-notch is.’

‘We hebben speedboten om walvissen, zeeleeuwen en beren te zoeken, we kunnen duiken, kajakken, vliegvissen, lokale community’s bezoeken, hiken door de bossen, you name it’

Overal beren zien

Vanuit de zwarte speedboot met de ronkende naam The Raven staren we nabij Nimmo Bay naar een beer die nonchalant over de rotsen slentert aan de overkant van het water. Voor ons ver genoeg om veilig te lunchen met — kuch — champagne.

Adrien komt binnen met het bericht dat er twee bultruggen gesignaleerd zijn. We trekken een isolerende rode overall aan en klimmen op The Raven, een zwarte speedboot die er hypersnel uitziet. Het verhaal van Dom gonst na; een half miljoen voor een vakantie van twee weken. ‘Dat is niks,’ zei Dom. ‘Het geld stroomt per seconde sneller binnen dan ze het in een uur kunnen uitgeven.’ Dan geeft Adrien gas en duwt de dubbele motor ons in enkele seconden naar 38 knopen. De overall leek me wat overdreven, maar het duurt niet lang voor ik bibberend de pijpen van mijn broek en mouwen dichtgesp. We gaan zo snel dat ik me afvraag of The Raven het water nog raakt. Op een rots zien we honderden zeeleeuwen met elkaar spelen en vechten, tientallen visarenden cirkelen boven een fishbait, een school ondiep zwemmende vissen waarop ze jagen. In de verte, onder de boomrand, ziet Adrien een zwart stipje aan de oever. Hij stuurt bij, zet de motor laag en langzaam glijden we in de richting van de groeiende stip. Een zwarte beer draait rotsen om op zoek naar kleine krabbetjes. Soms neemt hij een hap gras. We dobberen zo dichtbij dat ik hoor hoe hij het gras afscheurt. Hij kijkt in onze richting maar de wind staat gunstig. Hij ruikt ons niet en zolang we stilstaan is het zicht van de beer te slecht om ons waar te nemen.


Via de boordradio horen we dat de bultruggen weer onder water zwemmen. Als alternatief varen we naar een geïsoleerde commune, waar vijf huizen staan. Boven de kustlijn in een boom zie ik het zelfgebouwde huisje van Nikki van Schyndel, het stadsmeisje dat de wildernis introk. Ze slentert over het gras, uitgeput van een dag vissen op een garnalenboot. Hoe vermoeid ook, het garnalenseizoen wacht niet. Nu moet Nikky (36) zo veel mogelijk garnalen vangen die gelijk de flash freezer in gaan. Ze ziet er nog steeds uit als een stadsmeisje. Met haar gepolijste nagels, gave huid en zwarte indianenvlechten is ze een uitzondering in dit wilde land. Haar frêle lijf oogt kwetsbaar, je vergeet al snel dat ze hier ruim een jaar in het wild heeft geleefd. Poema’s hebben tegen haar aan liggen slapen, honger bracht haar op de rand van de dood, en toen alles verloren leek liep er een beer in haar val. Huilend schoot ze die af met een jachtgeweer en grilde hem boven een groot vuur.


Becoming wild is haar levensmotto en dat is precies wat er met je gebeurt in dit deel van Canada. Je voelt de primitiviteit je aderen instromen, je krijgt ontegenzeggelijk ontzag voor de wildheid van de natuur die zich in al zijn naaktheid ontvouwt. Of je nu op blote voeten loopt of in hypermoderne beschermende outfits, dit is de rand van de wereld. De locals zeggen het zelf.

Een zwarte beer draait rotsen om op zoek naar kleine krabbetjes. Soms neemt hij een hapgras. We dobberen zo dichtbij dat ik hoor hoe hij het gras afscheurt

Spiegeltje, spiegeltje

De lagunes bij Nimmo Bay zijn soms spiegelglad. Geen zuchtje wind, geen rimpel in het water.

Zelf per camper over Vancouver Island reizen?


Of liever een roadtrip per huurauto..

Vancouver Island in een oogopslag

Effe helemaal au naturel gaan op Vancouver Island

Lang verhaal kort: Vancouver Island is een van de mooiste stukjes natuur van Canada. Op dit langwerpige eiland, 460 kilometer lang en honderd kilometer breed, zijn de bergen van het vasteland van Canada altijd zichtbaar, maar je voelt je aan het einde van de wereld. Het eiland heeft maar één hoofdweg naar het noorden, door de vele fjordachtige baaien die vanaf de Pacific naar binnen dringen. Sommige stukken noemen de locals dead zones, gebieden tussen twee plaatsjes waar je geen benzine kunt krijgen. Wildlife is overal te vinden: zwarte beren, grizzly’s, poema’s, walvissen, zeeleeuwen en eindeloos veel Amerikaanse adelaars (visarenden). Op Vancouver Island zijn ook veel first nation people, inheemse stammen. Ze wonen in eigen dorpen, veelal langs de kust.


Er is geen ideale route. Maar als we dan echt moeten kiezen: start in het noorden, in Port Hardy, dan wel in Port McNeill. Zorg dat je naar de eilanden komt aan de overkant, daar zit nog de écht ongerepte natuur. Alsof je onontdekte gebieden gaat verkennen.

Alles is er onvoorstelbaar groen, en wildlife hangt zo’n beetje onder je boot. Probeer er te zijn vanaf half juni, dan zwemmen de zalmen de rivier in. Zoek de riviermonding op; je vindt er verbluffend veel beren. Iets ervoor wachten de walvissen en orka’s de zalmen op. Het is één groot voederfeest.


Naar het zuiden zijn er drie afslagen die je nog kunt nemen. De eerste is naar Gold River, een stadje aan een baai. Vanuit Gold River kun je met een oude mijnenveger de baai opvaren, om gedropt te worden langs verschillende dorpjes waar je met de auto maar moeilijk komt. De tweede afslag brengt je bij Ucluelet en Tofino. In surfstadje Tofino vind je echt alleen maar gekke mensen. Vraag maar eens naar Crazie Ron, en you get the picture. Dan is er nog de laatste afslag die je brengt naar het uiterste zuiden, naar Victoria en Port Renfrew. De laatste is best afgelegen, en daardoor niet toeristisch. Je kunt er de Pacific Coast Trail wandelen, een hike langs de kust van meerdere dagen.

Effe helemaal au naturel gaan op Vancouver Island

Lang verhaal kort: Vancouver Island is een van de mooiste stukjes natuur van Canada. Op dit langwerpige eiland, 460 kilometer lang en honderd kilometer breed, zijn de bergen van het vasteland van Canada altijd zichtbaar, maar je voelt je aan het einde van de wereld. Het eiland heeft maar één hoofdweg naar het noorden, door de vele fjordachtige baaien die vanaf de Pacific naar binnen dringen. Sommige stukken noemen de locals dead zones, gebieden tussen twee plaatsjes waar je geen benzine kunt krijgen. Wildlife is overal te vinden: zwarte beren, grizzly’s, poema’s, walvissen, zeeleeuwen en eindeloos veel Amerikaanse adelaars (visarenden). Op Vancouver Island zijn ook veel first nation people, inheemse stammen. Ze wonen in eigen dorpen, veelal langs de kust.


Er is geen ideale route. Maar als we dan echt moeten kiezen: start in het noorden, in Port Hardy, dan wel in Port McNeill. Zorg dat je naar de eilanden komt aan de overkant, daar zit nog de écht ongerepte natuur. Alsof je onontdekte gebieden gaat verkennen. Alles is er onvoorstelbaar groen, en wildlife hangt zo’n beetje onder je boot. Probeer er te zijn vanaf half juni, dan zwemmen de zalmen de rivier in. Zoek de riviermonding op; je vindt er verbluffend veel beren. Iets ervoor wachten de walvissen en orka’s de zalmen op. Het is één groot voederfeest.


Naar het zuiden zijn er drie afslagen die je nog kunt nemen. De eerste is naar Gold River, een stadje aan een baai. Vanuit Gold River kun je met een oude mijnenveger de baai opvaren, om gedropt te worden langs verschillende dorpjes waar je met de auto maar moeilijk komt. De tweede afslag brengt je bij Ucluelet en Tofino. In surfstadje Tofino vind je echt alleen maar gekke mensen. Vraag maar eens naar Crazie Ron, en you get the picture. Dan is er nog de laatste afslag die je brengt naar het uiterste zuiden, naar Victoria en Port Renfrew. De laatste is best afgelegen, en daardoor niet toeristisch. Je kunt er de Pacific Coast Trail wandelen, een hike langs de kust van meerdere
dagen.

Reizen naar Vancouver Island

Onder andere Air Transat en

KLM vliegen rechtstreeks

naar Vancouver. Vanuit Vancouver neem je de veerboot

naar Vancouver Island

(oversteek circa twee uur).

Reizen binnen Vancouver

Island

Huur een auto of een camper. Zonder is reizen hier onmogelijk.

Papieren

Je hebt een ETA-formulier

voor Canada nodig als je per

vliegtuig het land binnenkomt,

cic.gc.ca/english/visit/

eta.asp.

Betalen

Er zijn overal pinautomaten, ook in supermarkten. Verder betaal je overal met je creditcard.

Bellen en internet

De meeste horeca bieden gratis wifi aan.

Lezen

Becoming Wild van Nikky van Schyndel is het verhaal van een stadsmeisje dat in haar uppie in de wildernis van Vancouver Island gaat (over)

leven; Lonely Planet Canada (2019).

Kinderen mee?
Ja, kan zeker. Maar niet te jong meenemen.
Beste reistijd
Eind mei t/m eind september (ervoor en erna is te koud). Mooiste maanden zijn het begin en einde van deze periode. Aan het begin zijn de bergtoppen nog mooi wit besneeuwd, aan het einde komen de herfstkleuren.

IN SAMENWERKING MET